Iedereen mag stoppen met te doen alsof ze weten wat er na de dood gebeurt. Dat weten ze niet. De priester weet het niet, de wetenschapper weet het niet, en de bevlogen redenaar op Speakers’ Corner in het Londense Hyde Park, met een bord dat het einde van de wereld verkondigt, weet het ook niet. Wat we hebben meegekregen vanuit opvoeding, religie, cultuur en alle instituten die ons denken hebben gevormd, zijn verhalen, theorieën – en verhalen zijn geen landkaarten.
Maar er bestaat wel degelijk een landkaart over het gebied na de dood.
“Overgangsruimte”
Wanneer je je verdiept in de getuigenissen van bijna-doodervaringen, in het werk van Bob Monroe, het ‘Seth-materiaal’, het oude Egyptische Dodenboek, de Tibetaanse Bardo Thodol of de dialogen van Plato over de reis van de ziel, dan kom je al gauw tot de conclusie dat ze iets gemeenschappelijks hebben: ze beschrijven allemaal eenzelfde ruimte.
En dan werpt zich een logische vraag op: hoe komt het dat elke cultuur op aarde, door de hele geschiedenis heen en verspreid over duizenden jaren, uitkomt bij dezelfde basisstructuur van wat er na de dood volgt? Allen spreken immers over een “overgangsruimte”.
Het is een periode van aanpassing. Een moment van oriëntatie vóór wat er daarna komt. Dit is geen toeval. Toevalligheden op deze schaal bestaan niet.
Het gaat niet om dezelfde theologie, niet dezelfde God, maar wel dezelfde functionele ruimte, dezelfde mechanismen voor de overgang. Verschillende woorden voor hetzelfde gebied. Dit is het punt waarop veel mensen er niet in slagen helder na te denken over de dood. Ze concentreren zich op de verschillen tussen verschillende tradities en nemen dat als bewijs aan voor het feit dat niemand ergens iets van afweet.
Je kan je blijven blindstaren op de verschillen in de details maar het gaat om de overeenkomsten! Er is overeenstemming in de structuur. Dat is precies wat je zou verwachten als meerdere mensen -onafhankelijk van elkaar- een werkelijke plek zouden beschrijven waar ze ook effectief zijn geweest.
Wat is deze “overgangsruimte”?
Het zijn geen wolken, het is geen duisternis, het is geen wachtkamer met tl-verlichting. Het is iets specifiekers, iets veel doelgerichter, en veel nauwer verbonden met het leven dat je nu leidt dan alles wat je ooit is voorgehouden als verwachting.
Laten we eens kijken wat het werkelijk is.
Bij het fysieke overlijden betreedt elke ziel/geest/essentie/expressie/originele zelf/… een overgangsomgeving – niet metaforisch, niet symbolisch, maar letterlijk (voor zover de term ‘letterlijk’ van toepassing kan zijn op een niet-fysieke ervaring). Dat gezegd zijnde, kan een dergelijke ervaring juist meer ‘werkelijk’ of ‘letterlijk’ zijn dan de fysieke ervaring ; wetende dat onze fysieke realiteit een vertaling/ervaring van bewustzijn is.
De niet-fysieke realiteit is het origineel.
Wanneer je sterft, ga je niet van ‘echt’ naar ‘onecht’. Je beweegt je vanuit een gecomprimeerde, vertaalde versie van de ervaring terug naar een meer essentiële bewustzijnsvorm. Wat is die ‘ruimte’ dan? Je zou het kunnen beschouwen als een ervaringszone die direct volgt op het fysieke overlijden en voorafgaat aan wat daarna komt.
Verwachtingen
Het is in de eerste plaats een ruimte opgebouwd uit je eigen verwachtingen … .
Dit is het punt waar veel mensen even stilvallen als ze het horen.
We willen immers dat de ruimte objectief is; dat ze vaststaat. Een wachtkamer is een wachtkamer – voor iedereen hetzelfde!
Niet dus.
De initiële overgangsomgeving wordt actief en functioneel vormgegeven door het geloofssysteem van het bewustzijn dat erin terechtkomt. Niet slechts versierd met overtuigingen, maar erdoor opgebouwd.
Als je geloofde in een specifieke versie van de hemel, dan zal die versie verschijnen. Als je geloofde in duisternis en stilte, dan is dat wat je aantreft. Als je helemaal geen uitgesproken idee had over wat er na de dood komt, dan zal de omgeving zachter en neutraler zijn: een subtiele, ongedifferentieerde ruimte waar je je kunt oriënteren, zonder de verstoring van een rigide, geprojecteerd kader. Het gaat hier niet om straf of beloning zoals vele religies en spirituele stromingen propageren. Het is functioneel.
De geest creëert hier de realiteit op een even natuurlijke wijze als hij in het fysieke leven ademt. Alleen is hier de vertraging tussen intentie en manifestatie – de kloof die wij in het fysieke leven ervaren als ’tijd’ – verdwenen. Wat je in je bewustzijn draagt, … verschijnt.
Dit is het meest ingrijpende aspect waarvan we bewust mogen worden; het betekent dat de toestand van je bewustzijn op het moment van overlijden van enorm belang is.
Als je sterft terwijl je vasthoudt aan een rigide geloofssysteem dat geen ruimte laat voor een verruimde werkelijkheid, dan zal die ruimte bekrompen zijn. Als je sterft met een open, nieuwsgierige en ontvankelijke houding – zonder vast te houden aan een specifiek resultaat – dan biedt de ruimte juist wél ruimte. Er is plek. Er zijn mogelijkheden.
Gidsen
Een tweede punt: je bent niet alleen in die ruimte. Er zijn entiteiten die vaak ‘gidsen’ worden genoemd; hun functie binnen de grotere, niet-fysieke structuur is specifiek om te helpen bij de oriëntatie in deze overgangszone. Ze verschijnen in vormen die het arriverende bewustzijn kan herkennen en accepteren. Dit is geen trucje van wezens die van gedaante kunnen veranderen; in de niet-fysieke werkelijkheid is ‘vorm’ op zichzelf een keuze in communicatie. Ze verschijnen in een gedaante die begrepen zal worden.
Iemand die een religieuze figuur verwacht, kan ook een religieuze figuur zien verschijnen. Iemand die helemaal niets verwachtte, kan een aanwezigheid zonder vaste vorm ervaren: een warmte, een richting, een intelligentie die eerder wordt gevoeld dan gezien. Dat dit consistent terugkeert in duizenden verslagen van bijna-doodervaringen, is geen toeval. Mensen die klinisch dood zijn geweest en zijn teruggekeerd, vertellen – ongeacht hun culturele achtergrond – over een aanwezigheid die hen opving: een gestalte, een licht of een stem die hen hielp zich te oriënteren. Dit is m.a.w. geen culturele constructie.
Tijd
De overgangsruimte wordt niet beheerst door reguliere kloktijd, maar ze is ook niet ’tijdloos’ in de zin zoals we ons de eeuwigheid vaak voorstellen: als een leeg, ongedifferentieerd, oneindig niets. Het is ervaringsgerichte tijd, een subjectieve tijdsduur.
Dingen ontvouwen zich in het tempo waarin het bewustzijn ze kan verwerken. Voor sommige vormen van bewustzijn verloopt deze overgang snel: een moment van desoriëntatie, gevolgd door helderheid. Voor anderen is het een langdurig proces: het geleidelijk loslaten van het fysieke kader en van de gewoonten van de identiteit die het lichaam en het sociale zelf gedurende een heel leven hadden opgebouwd. Dit betekent dat de aard van je overgang – hoe gemakkelijk of moeizaam je je door deze ruimte beweegt – direct verband houdt met de mate waarin je gehecht was aan je fysieke identiteit. Niet met de mate hoe “goed” je tijdens je leven was.
Het gaat niet enkel om in hoeverre je ergens in geloofde, maar ook in hoeverre je eraan gehecht was.
Vergissing
Op dit punt gaat ons denken vaak in de fout. De vergissing is om de beschrijving van de ‘overgangsruimte’ te lezen en te denken: “Dit is wat iedereen overkomt” – alsof het van buitenaf wordt beschreven, als een landkaart van een gebied dat je kunt bestuderen voordat je er aankomt. Dat is een volkomen verkeerd uitgangspunt. Het is geen vaste architectuur die je passief betreedt. 
Het is een dynamisch systeem waar je nu al deel van uitmaakt, vanuit je fysieke leven, door de kwaliteit en de inhoud van je bewustzijn!
Hoe werkt dit?
De overtuigingen die je koestert, zijn niet zomaar gedachten. Het zijn geen meningen die in een archiefkast in je hoofd liggen opgeslagen. Overtuigingen zijn in de letterlijke zin ‘generatief’: ze creëren de ervaringswereld waarin je verblijft.
In het fysieke leven verloopt dit proces trager en diffuser, omdat fysieke materie een zekere weerstand en vertraging kent. Maar het principe blijft hetzelfde – en in de ‘overgangsruimte’ is er van die vertraging zelfs helemaal geen sprake meer. De vraag is dus niet: “Hoe zal die ruimte eruitzien?” De vraag is: “Wat ben je op dit moment, vandaag, aan het bouwen met het materiaal van je overtuigingen, je verwachtingen en je verhouding tot je eigen bewustzijn?” Want dat is de ruimte die je met je meedraagt.
Dat is de ruimte waar je straks in terechtkomt. Het moment van de overgang staat niet los van het leven dat daaraan voorafging; het is de culminatie ervan.
De ruimte is geen verrassing.
De ruimte is een gevolg.
Hoe je deze ruimte in dit leven reeds kan beschouwen en hoe je dit traject niet meer hoeft te volgen, is het onderwerp van onze volgende blog 😊.
Kan je niet wachten en wil je reeds meer weten, ERVAREN en het bovenstaande zelf verifiëren, schrijf je dan in voor onze online workshop – Het leven na de dood.